Verslaafd aan drank, gamen, shoppen? Dat ligt aan uw luie hersenen

Onze hersenen zijn lui, oud en tuk op plezier. Dat is gevaarlijk, want zo wint suiker het van groente en worden meninkjes even belangrijk als feiten, waarschuwt de Nederlandse neuropsychologe Margriet Sitskoorn in haar nieuwe boek HersenHack..

Wie kent de volgende situatie niet? Het is zaterdagavond, je pakt de roman vast die zulke fantastische kritieken kreeg in de krant, leest een paar pagina’s en voelt je aandacht verslappen. Misschien een glas wijn, denk je, en wat kaas erbij, lekker gezellig. Het is tenslotte zaterdag en de boog kan niet altijd gespannen staan. En wat zei je collega alweer over die nieuwe Netflix-reeks? Misschien toch maar even kijken. Volgens Margriet Sitskoorn, hoogleraar klinische neuropsychologie aan de universiteit van Tilburg, is dat absoluut normaal. “Onze hersenen willen het zo,” zegt ze, “want als je met weinig denken weg kunt komen, dan doe je dat.”

In haar nieuwste boek HersenHack gaat ze dieper in op de redenen waarom onze hersenen liever lui dan moe zijn, en op de gevaren van die luiheid, want voor je het weet geef je de regie over je doen en laten aan een ander. “Je hersenen moeten alles doen, van je ademhaling controleren tot je een rekensom laten maken”, verklaart Sitskoorn onze neiging naar de makkelijkste weg. “Dat kost heel veel energie. Vanouds was die energie schaars. Daarom zijn onze hersenen zo zuinig mogelijk gaan werken. En dat doen ze nog steeds, ook al hebben we nu eten bij de vleet.”

We moeten ons dus geen zorgen maken wanneer we liever languit naar Netflix liggen kijken in plaats van een boek te lezen?

Margriet Sitskoorn: “Dat ligt eraan wat je met jezelf en met de wereld wilt, want je laten leiden door je luie hersenen heeft een paar kwalijke gevolgen. Informatie en informatievoorziening zijn vandaag bijvoorbeeld heel anders dan vroeger. Wanneer je vroeger – en dan bedoel ik evolutionair vroeger en niet een paar jaar geleden – niet inging op de juiste informatie, was je heel snel dood. Dan at je giftige bessen, was je niet bang voor vuur en wist je niet dat beren gevaarlijk zijn. Je moest dus over de juiste informatie beschikken, en daar moest je moeite voor doen. Nu is dat anders. Wij worden voortdurend overspoeld met dingen die er niet toe doen, liefst lekker kort en lekker smeuïg, wat snel naar binnen gaat. We zijn tuk op de fastfood onder de informatie omdat die ons genotssysteem prikkelt. Kim Kardashian heeft nieuwe borsten en een mogelijke terreurverdachte is mogelijk opgepakt. Die clickbait leest superlekker, de primitiefste systemen in onze hersenen worden geprikkeld en we denken: dit is wel goed. Maar dat is niet zo. Als we ons door onze oude hersendelen laten leiden, verliezen we het contact met de realiteit.”

Onze hersenen zijn dus niet alleen lui, ze zijn ook niet aangepast aan onze wereld?

“De wereld heeft zich te snel en op een rare manier ontwikkeld. Onze hersenen veranderen daarentegen maar heel langzaam, laag na laag. Wat nodig is voor de veranderende maatschappij komt er als laatste bij, in ons geval de prefrontale hersenschors, het gebied achter je oogkassen en voorhoofd. Maar zo’n kwab zit daar niet van de ene op de andere dag. Die heeft heel veel tijd nodig om te evolueren, terwijl onze technologie razendsnel gaat. Zo kom je dus inderdaad met in eerste instantie onaangepaste hersenen te zitten. De diepere structuren van onze hersenen maken dat we genot beleven aan levensnoodzakelijke maar vanouds schaarse zaken als vet, suiker en seks. Vandaag kunnen we daar echter met volle teugen van genieten. Daarom moeten we ons heel bewust tegen de luiheid van onze hersenen verzetten. Doe je dat niet, dan raak je verslaafd aan alles wat er in overvloed is en in dergelijke mate niet goed is voor ons – vet, suiker en seks, maar ook gamen, Facebook en fastfood­informatie. Overal waar ik kom, zie ik mensen die wel ergens verslaafd aan zijn – is het geen alcohol, dan wel kopen of gamen. Iedereen heeft wel iets dat hij eigenlijk beter zou laten, maar wat hij o zo moeilijk vindt. We moeten onze prefrontale hersenschors ontwikkelen om daar tegenin te gaan.”

Maar de ene mens is wel vatbaarder voor verslavingen dan de andere, toch? Waarom?

“Alles wat je denkt, voelt of doet, wordt bepaald door twee zaken: je genen en je omgeving, en de interactie tussen die twee natuurlijk. Ik ben nu eenmaal zo, denken mensen vaak, maar dat is absoluut niet waar. Je genetische erfenis komt pas tot uiting onder invloed van wat je doet, dus door je omgeving. Je genen kun je niet veranderen, maar je omgeving wel. Je kunt je gedrag wijzigen door je prefrontale hersenschors te ontwikkelen. De genotsstructuren in je hersenen zeggen: lekker, drink er nog maar eentje, ook al mag je dan eigenlijk niet autorijden, maar goed, het is toch zo lekker. Je prefrontale schors zegt daarentegen: hartstikke lekker, maar we gaan het niet doen, want we hebben een groter doel en dat is niet dronken achter het stuur zitten en veilig thuiskomen.

“Sommige mensen hebben genen die hen veel verslavingsgevoeliger maken. Anderen brengen zichzelf in een omgeving die hen verslavings­gevoeliger maakt. We kennen dat allemaal, als je bij bepaalde vrienden bent, ga je opeens veel meer drinken dan wanneer je niet bij hen bent. Dat is echt je omgeving. Een verslaving doorloopt een aantal stappen. Het begint met iets lekker vinden en er genot uit halen. Dus kies je er bewust voor en ontstaat er een verlangen naar meer. Dat herhaal je tot het een gewoonte wordt en uiteindelijk zelfs een noodzaak. Dan ben je verslaafd. Op ieder moment in die ketting kun je stoppen. Niet makkelijk, want dat betekent dat je weer naar af moet en een bewuste keuze moet maken. Soms heb je daar zelfs hulp bij nodig, en het kan jaren duren. Maar op die manier veranderen je hersenen en versterk je je prefrontale hersenschors, waardoor je steeds beter gewapend raakt tegen verslaving.”

Moeten we ons ook zo nodig wapenen tegen fastfood-informatie? Wij behoren toch tot de meest geïnformeerde generatie ooit? Zijn we dan niet kritisch genoeg?

“Wij krijgen heel veel van hetzelfde te zien. De hele dag door zie je bijvoorbeeld terreur, waar in de wereld die zich ook afspeelt, waardoor onze oude angstsystemen voortdurend geprikkeld worden. Wanneer je mensen vraagt wat de belangrijkste doodsoorzaken zijn, denken ze vaak dat dat terreur is. Volkomen ten onrechte, want we leven in de veiligste en gezondste tijden ooit. We zijn rijker dan ooit en leven ook langer dan ooit tevoren.

Maar het voelt helemaal anders aan. We hebben vaak het gevoel dat we met z’n allen naar de verdoemenis gaan. Dat komt onder meer door de manier waarop die informatie onze hersenen binnenkomt. Wat we vrijwel niet meer doen, is aandacht opbrengen voor de achtergrond – boeken lezen bijvoorbeeld, of lange interviews lezen met mensen die ergens verstand van hebben en die ook eens iets zeggen wat je niet wilt horen.”

Of een goede longread op internet?

“Op internet kun je hele goede informatie vinden, maar je kunt ook iedere dag zonder enige moeite alleen maar zoeken en vinden wat je graag wilt horen. Stel dat jij gelooft dat de aarde plat is en de klimaatwijziging niet bestaat, dan kun je daar op internet heel veel ‘bewijzen’ voor vinden. Je kunt in cybergetto’s terechtkomen die je bevestigen in je bubbel.

“Onze hersenen zijn neuroplastisch, wat betekent dat ze veranderen naargelang de informatie die binnenkomt en gebruikt wordt. De paden van wat je al geloofde en dacht worden zo almaar sterker, waardoor het steeds moeilijker wordt om ze nog te veranderen. En waardoor polarisatie ook steeds makkelijker wordt. Jij zoekt in jouw clubje en ik in het mijne, en zo hebben we altijd allebei in onze eigen wereld gelijk, ook al beweren we in feite net het tegenovergestelde. Uit onderzoek blijkt dat hoe vaker je iets bevestigd hebt gezien, hoe moeilijker het is om je ervan te overtuigen dat het niet waar is. Als iemand met getallen aantoont dat we in veilige tijden leven, merk jij op dat het zo niet aanvoelt. Dat is typisch voor ons post-truth-tijdperk, waarover Michael Deacon, een journalist die voor The Daily Mail werkt, opmerkt dat we vandaag meer belang hechten aan gevoelens dan aan feiten, want feiten zijn negatief, pessimistisch en niet vaderlandslievend. In het menselijk denken en waarderen kun je drie tijdperken onderscheiden. Het eerste is dat van de pre-truth, waarin we belang hechtten aan zaken die voor ons persoonlijk betekenis hadden, zoals religie. Daarna kwam het truth-tijdperk, waarin we de wereld begonnen te meten en onze oordelen baseerden op rationele kennis. Vandaag leven we in het post-truth-tijdperk, en denken we dat het allemaal wel waar kan zijn wat die ander zegt, maar dat het toch niet meer is dan een mening. Op internet heb ik 3.000 mensen verzameld voor wie het net zo aanvoelt als voor mij. En dus is het zo.”

Dus nog een stapje verder. Niet alleen zijn onze hersenen lui en onaangepast aan de wereld, ze zijn ook nog eens volstrekt irrationeel?

“Ja en nee. Ze ontwikkelen rationeel of irrationeel op basis van de informatie waaraan ze blootgesteld worden. Vroeger was gevoel heel efficiënt. Wanneer je een slang op je pad tegenkwam, ging je niet eerst een potje zitten prakkeseren over de vraag of het een giftige of een onschuldige slang was. Want dan was je te laat. Je sloeg meteen op de vlucht, zuiver op het gevoel. Dat zit nog steeds in onze hersenen. Als het op een slang lijkt, kun je maar beter meteen wegspringen. Pas daarna ga je kijken of het ook wel echt een slang was. Snel reageren loont in dit geval, maar de tijden zijn veranderd. Met alleen snel reageren en gevoel red je het niet meer.

“De oude mechanismen van ‘wij en zij’ zijn grotendeels verantwoordelijk voor racisme en seksisme. Het idee van ‘mijn groep en jouw groep’ zit diep in onze hersenen, en dat wordt geactiveerd wanneer we geconfronteerd worden met mensen uit een vreemd land of mensen die een andere huidskleur hebben. We koppelen daar razendsnel alle mechanismen aan die van oudsher zijn ontstaan om ons te beschermen tegen het onbekende. En daaraan werkt alles mee: je denken, voelen, geheugen, noem maar op. Als jouw groep iets slechts doet, onthou ik dat heel erg goed. Als mijn groep iets slechts doet, vergeet ik het heel erg snel. Als jouw groep goede en slechte eigenschappen heeft, gaat mijn aandacht meteen naar de slechte, terwijl ik alleen maar de goede van mijn eigen groep zie. Als je weet waarom onze hersenen zo reageren, begin je te begrijpen dat je de wereld niet waarneemt zoals hij is, maar dat je nieuwe informatie met oude mechanismen benadert en je daardoor een volledig vertekend beeld kunt krijgen.”

‘Ach ja, de buurman wel maar ik niet’, denken de meeste mensen dan toch?

“Dat is een vorm van ego defence. ‘Ik ben goed, slim en knap. Ik rij ook uitermate goed in het verkeer en ik voed mijn kinderen prima op.’ En dat is meestal ook zo hoor (lacht), maar dat neemt niet weg dat het heel moeilijk is om aan jezelf te bekennen dat je iets fout doet, of dat het bij jou niet goed werkt. We zijn allemaal in hetzelfde bedje ziek.

“Laatst zat ik in een tv-programma. Rond de tafel zaten twee hoogleraren, van wie ik er een was. De andere was een man die de hele tijd werd aangesproken als professor, terwijl ik ‘Margriet’ was. Op zich maakte dat me niet zoveel uit, tot op het moment dat men begon te zeggen: ja maar, we hebben wel een professor aan tafel. Toen wilde ik zeggen: één? Iedereen wordt blootgesteld aan stereotyperingen en we doen het zelf ook vaak.”

In feite zijn we dus allemaal geboren voetbalsupporters?

“Eigenlijk wel. Ik hou enorm van voetbal. Soms klap ik wel eens voor de tegenpartij als die een mooie goal maakt en dan merk ik meteen dat het zo niet werkt. Dan ben ik algauw een vreemde eend aan de rand van het voetbalveld. Want ‘alleen wij’ maken mooie goals en de anderen spelen altijd vals – als ons verlies niet te wijten is aan de partijdigheid van de scheidsrechter natuurlijk. Als je diep nadenkt, kun je zeggen dat voetbal om niets gaat, maar dat is natuurlijk niet zo. Het gaat om heel veel, want het gaat om jouw groep tegenover de mijne. Hoe meer status mijn groep krijgt door een goal te maken, hoe meer ik die op mij voel afstralen en hoe sterker mijn identiteit wordt. En hoe meer kans ik heb om te overleven.

“Wij hebben de wereld heel complex gemaakt met onze belastingen, hypotheken en dikke auto’s en wij puren daar onze status uit. Of juist niet natuurlijk, wanneer je bij de andere club zit en trots bent op je bakfiets en je elektrische auto. Dan haal je je status daaruit, en wie de hoogste status heeft, heeft ook toegang tot de meeste bronnen, de beste partners en dus ook de meeste kans op overleving.”

Zijn we door onze luie hersenen niet voorbestemd om ten onder te gaan aan het populisme?

“Nee, want dat is maar één kant van mijn verhaal. Onze oude hersensystemen laten ons luisteren naar het populisme, terwijl de nieuwe ons toelaten die oude te reguleren. In ons allen zitten dus krachten om populist te worden, om verslaafd te raken aan wat dan ook, om voortdurend bang te zijn en om fundamentalist te worden. Alleen zit in ons allen ook de mogelijkheid om dat – mits de juiste stimuli en informatie – niét te doen en om de wereld nog beter, mooier en gelukkiger te maken dan hij al is. De oplossing voor heel veel van onze problemen zit in onze hersenen, in het versterken van onze prefrontale hersenschors, waardoor we steeds beter bewapend raken tegen angst, verslaving en populisme.”

Hoe versterk je die?

“De makkelijkste dingen zijn goed slapen, je eigen aandacht leren richten – wat betekent dat je dus niet reageert op je gsm telkens hij piept – blootstelling aan nieuwe informatie en voldoende bewegen. Ouderwets gezond leven, zo zou je het kunnen samenvatten. Maar dat is niet alles. Er zijn ook moeilijke zaken. Je moet bijvoorbeeld falsificeren. Je moet durven te twijfelen. Je moet durven te bekennen dat je weleens ongelijk zou kunnen hebben, en dat is moeilijk. Je moet nieuwe informatie opzoeken en je ervoor openstellen.

“Mensen moeten weer plezier krijgen in het nieuwe. Dat is immers ontwikkeling. Een kind dat van kruipen naar lopen gaat, valt duizend keer. Dat zegt niet halverwege: weet je wat, ik hou ermee op, ik blijf lekker kruipen voor de rest van mijn leven, bekijk het maar met jullie lopen. En als ouder zeg je ook niet: ik heb hem al drie keer opgepakt en ik ben er wel klaar mee. Dat doe je niet. Maar als het over onze eigen ontwikkeling gaat, doen we dat wel. Ik hoef niet verder te kijken, ik heb gelijk, zeggen we dan al heel snel. Maar dat is de foute manier van denken. Je moet naar je ongelijk zoeken. En wanneer je na al dat zoeken toch nog gelijk hebt, dán pas ben je goed bezig. En je moet de slinkse wegen van onze hersenen leren te onderkennen. Dan vind je niet meer dat iemand je status ondermijnt, maar denk je: aha, zo werkt dat dus, en glimlach je om zijn wij-en-zij-denken en richt je je aandacht op iets anders. Want daar gaat het om: dat je weer echt zelf kunt kiezen in plaats van voortdurend voortgestuwd te worden door informatie die door anderen in elkaar is gezet.”

Maar wíl iemand van alt-right wel geconfronteerd worden met een andere mening? Jezelf in vraag stellen is toch niet aangenaam?

“Dat klopt, en dat geldt trouwens niet alleen voor alt-right, maar voor iedereen. Ook mensen die nieuwsgierig aangelegd zijn en constant op zoek gaan naar informatie hebben de neiging informatie te zoeken die hun eigen opinies ondersteunt en bevestigt. Falsificeren gaat dus niet vanzelf. Ik moet mezelf ook de hele tijd pushen om zaken van een andere kant te zien. Ga maar eens kijken, verplicht ik me, zit er niet iets in dat alt-right? Hoe leuk is het niet om je open te stellen voor iets nieuws? Dan worden er nieuwe cellen aangemaakt in de prefrontale hersenschors, nieuwe verbindingen gelegd en ontwikkel je je. En dat is toch waar het leven om draait?”

We moeten de expert ook weer naar waarde leren te schatten?

“Precies. Wat je vandaag vaak ziet, is dat er tijdens een discussie – laten we zeggen over de klimaatverandering – allerlei experts aan het woord komen die zeggen dat het wel of niet goed gaat. Zij krijgen vijf minuten zendtijd. Dezelfde zendtijd wordt uitgetrokken voor meningen, voor mensen die er iets van vinden. En dan krijg je een uitspraak als ‘ik ben klaar met die klimaatverandering’. Persoonlijk weet ik niet goed wat dat betekent. Ik snap wel wat ze bedoelen: het interesseert me niet, ongeacht wat waar en wat niet waar is. Wat mij dan stoort is dat gegevens evenveel aandacht krijgen als een mening. In onze hersenen worden beide daardoor als evenwaardig gezien, wat natuurlijk niet zo is. Dat is dus typisch post-truth: het idee dat wat je voelt gelijk is aan wat waar is.

“Meer zelfs, feiten worden steeds vaker negatief en pessimistisch beoordeeld. Wie feiten wil, hoort bij een gek clubje. Stel dat je honger hebt en voor jou staan twee schaaltjes bessen. De expert zegt dat de eerste bessen heerlijk zoet zijn en je ze zo kunt opeten – er zitten nog vitaminen in ook. De andere, daarentegen, veroorzaken meteen krampen en diarree, en binnen de tien minuten sterf je. Daarna komt er iemand die er niets van afweet en die net het tegenovergestelde zegt. Ik heb toch geen goed gevoel bij dat eerste schaaltje, zegt hij. Die uit dat andere schaaltje glanzen toch veel mooier. En dan moet je kiezen. Dan zegt toch niemand dat hij die mooi glanzende bessen wil waarvan de expert zei dat je er meteen aan zou sterven? Zou je denken, maar dat is wat veranderd is in onze wereld. Bij die bessen zie je meteen het gevolg van de afwezigheid van kennis, maar bij de klimaatwijziging zie je dat niet meteen.

“Sterker nog, een foute keuze kan zelfs op korte termijn goed aanvoelen. Ik laat me niets wijsmaken door die sukkels, denk je dan, en misschien krijg je er zelfs een hogere status door. Want we weten allemaal hoe je een hogere status krijgt, door zelf naar omhoog te klimmen of door de ander naar beneden te halen, en het tweede is stukken makkelijker dan het eerste.”

We moeten dus kiezen voor het moeilijke leven?

“Voor het lange en gelukkige leven, zou ik eerder zeggen.”

Bron: Dagblad de morgen